Gedichten
Stadsdichter Oostende
|
|
 |
Straks
4e Stadsgedicht 2009
Iemand schrijft.
Iemand kust iemand.
Iemand luistert naar de wind,
Kijkt over zee, naar ginder, naar elders
Naar ver weg. Iemand sterft. Een dichter.
Iemand bouwt zich een muur
Tegen het water, de stromingen, het getij. De tijd.
Tegen alles wat hij niet kent.
Iemand denkt na over de verbeelding.
Iemand verwaarloost zijn kind.
Iemand word veroordeeld voor slagen en verwonding met de
dood als gevolg. Niemand had het gezien!
Iemand wist te vertellen!
Iemand valt in het ijle.
Iemand denkt na over de wankelbaarheid van de wereld.
Iemand kust zijn vrouw.
Iemand wordt uit het water opgevist.
Iemand bekijkt de priemgetallen, en keelt zich uit over
de wereld.
Iemand collectioneert schelpen.
Iemand wordt aangeraden door iemand anders, omdat iemand
anders die iemand anders aangeraden heeft.
‘De wereld is naar de kloten!’: roept iemand, en drinkt
zijn pint leeg.
Iemand heeft honger en weet zich geen weg met de kou
.Niemand geeft erom,omdat niemand anders geeft om iemand anders.
En ook dit nog,
Charlotte Mutsaers wint de P.C.Hooft-prijs 2010.
|
|
|
|
|

|
Onweer.
3e Stadsgedicht 2009
Teveel zon en zee vandaag
Teveel zand, strand, wolken.
Veel teveel toeristen, zonnebaders
Toeters, vermisten.
Teveel meeuwen die schijten,
Kinderen die krijsen,
Honden die blaffen,
En een stapel dode vissen.
Teveel friet met mayonaise!
Veel teveel trams, bellekarren,
En garnaalkroketten.
Teveel schelpen, teveel rook
Waar halen ze al dat zand?
Teveel woorden.
Te weinig ruimte!
Teveel socialisten!
Op een wolk van een wolk
Staat een bed.
Waarin, in een wolk van een gedicht
Een dichter slaapt.
Straks wordt hij uit zijn bed gelicht.
|
|
|
|
 |
2e Stadsgedicht 2009
Vrij naar T. Waits : ‘What’s He Building?’
In een stad
In een straat
In een huis
Woont een mens
In zijn taal
In zijn wij
In zijn gij
In zijn ik
En mij.
Wat doet hij daar?
Bouwt het een huis?
Wacht hij op zijn moeder?
Spreekt het tegen zichzelf?
Kreunt hij onder de jaren?
Is het een zonderling?
Zijn zijn sokken zoek?
Slaapt hij alleen?
Hoor hem bladeren.
Door wat bladert hij?
Is hij blind?
Is het een viezerik?
Rijmt het?
In een stad
In een straat
In een huis
Woont een mens
In zijn taal
In zijn wij
In zijn gij
In zijn ik
En mij.
In ons allemaal.
|
|
|
|
|

|
1e Stadsgedicht 2009
Poetica
(de stad als
dichter)
Noem mij een vrouw, mateloos en
driftig,
Bewoon mij.
Breek mijn benen als ik niet
luisteren wil,
Spreek mij aan als een jonge deerne.
Tooi mij met je droefste woorden,
Kus mij in mijn diepste schacht,
Breek mijn hart!
Maar leg geen woorden in mijn mond,
Die ik niet aan jou heb toevertrouwd.
Spuw op mij.
|
|
|
|
|
 |
(Gedicht december 2008)
Hotel Andromeda
Taal waait hoofden leeg,
Maakt mannen hard,
Waar vrouwen zacht weeën
In de naam van hun moeders.
Boven de wolkenkrabbers
Staat het huis met zeven namen,
Daar woont de wind.
Kamers ruiken er naar zout en zweet.
Hij is er lang gebleven,
Schreef en dacht na
Over het kleinste verschil op aarde,
De tweevoetige, over de kleine mens.
Zo is het, en niet anders.
Of iemand het geweten heeft, weet ik
niet,
Maar het bed was er diep en veilig,
Het licht spaarzaam maar helder,
De gedichten heilig.
|
|
|
|
|

|
4e Stadsgedicht:
(vrij naar B. Groult
Zout op mijn huid.)
Les vaisseaux du coeur
De zee stuurt ons haar winden,
En broze zeemansverhalen.
Nu is de tijd gekomen om te bidden,
Is er plaats, om tegen elkaar te praten.
De winter komt aan, wat later,
Door de herfst die niet wijken wil.
Wij scharrelen wat rond in ons geweten,
Als zoeken wij tussen verdorde blaren,
Naar de zin van het leven, en vergeten,
Waar eens de liefde in oorsprong woonde.
Wij leggen ons te lezen in boeken,
Betasten de ruggen van onze grote verhalen,
En maken ons klein. Om te leren liefhebben,
Te hebben, lezen wij onszelf om te leven
Zo praten wij, om alles los te laten.
Zolang de zee ons nog schreeuwt.
|
|
|
|

|
(Gedicht oktober 2008)
Heb moed (in ‘t Hedendaags
Nederlands)
Heb geen schrik van de wijzers van de
tijd
Het nooit eindigende leed in deze
wereld,
‘t afkomende, ‘t opkomende en ’t
aftrekkende getij.
Nimmer is men vóór op wat komen moet.
Storm en ellende zullen uw metgezel
zijn.
Altijd te laat
Tastend in ‘t verleden,
Zoekend de mens, zo ook de blinde,
Zijn woorden en ten laatste
Zijn gedachten.
In de grabbelmand zich verstikkend
En wenend als een kind.
Heeft ‘t geen belang
Of ‘t nu gisteren was of ‘t vandaag
is.
Als 't getij verloopt, verzet men de
bakens.
|
|
|
|

|
(Gedicht september 2008)
Voorgelezen in 'Het zuiden van
Europa'
nav: viering 30 jaar overlijden
Jacques Brel
Cher ami,
Dit is geen zicht,
Heeft geen toekomst.
Zie,
Hoe de tijd zich rekt in lange a’s
Van haven,les marquises, et si j’étais,
Uw dienaar, votre servant,
Uw verdriet, uw hoop
En pijn, als je soms alleen
Of dronken van het leven
Het spoor bijster
Uitschreit dat het genoeg is,
Teveel. Dat het moet
Gedaan zijn met al die zever,
En doen alsof de zee van iedereen is.
En als overal de verveling toeslaat,
Ver van alle verwondering,
De wereld aan al die het zien wil
Haar gat toont,
Dan lonkt de kater,
En anders ook.
Ja, ook dan,
En ook andersom,
Of niet soms
|
|
|
|

|
(Gedicht augustus 2008)
Zomerliefde
In een witte ruimte
Met een wit baldakijn
Waarin witte woorden
Witter zijn dan rijm.
In een stil gefluister
Ik in jouw verhaal.
Als jij nu eens zeggen zou:
‘Wees welkom in mijn wereld,
Ja, vertel me in je witste woorden.’
Mijn witte bruid.
Nooit was witter
Zo wit als wit toen kon zijn,
Zo diep als mijn zwaarste woord.
|
|
|
|

|
3e Stadsgedicht:
TAZ
Het regent en het is laag water,
Het is laag water en het regent.
Een straatveger buigt zich
Over het probleem, zie hem
Rondkijken en dan, wegwezen
Een andere straat in, waar alweer …
Schapen vluchten voor de boze wolken,
Een regendans wordt ingezet, de aartsengel
Blijkt een zanger te zijn,
Het vuur uitgevonden door een blinde.
Naakt loopt een meisje door de stad,
Laat iedereen in haar verbeelding kijken.
"Kom, kom," fluistert ze, "kom dan toch!"
Mannen gaan met elkaar op de vuist,
Een ander wordt gedood.
Wie goed luistert, voelt het water stijgen
Tot aan de lippen.
Iemand prevelt het tweede gebod.
En in de straten van de stad
Loopt een man met zijn verbeelding te koop:
En toont de uitgang naar het Nu.
|
|
|
%20van%20020_17A.JPG)
|
(Gedicht juni 2008)
Hier.
(Brief uit Oostende aan Joke van Leeuwen.)
’s Ochtends vallen hier geen woorden te rapen
En in de grond van mijn hart is niets dat bloeit
Om over naar huis te schrijven. Neen, niets.
Geen woorden komen mij aangewaaid. Ook al
Woon ik aan zee en ben ik welbekend
Met mijn omgeving, niets valt hier te rapen.
Enkel wat losse schelpen of een dode meeuw,
Soms een aangespoelde zeemeermin.
Iedere namiddag, zeker op zondag,
Regent het hier oude wijven, en dan zwijg ik nog
Over het kindergebroed dat de taal verbastert.
Ik versta er niets meer van. Zo raar dat die klinken.
’s Avonds, of tijdens de nacht zou men denken,
Komt de muze en fluistert aan mijn linkeroor
Haar zoete klanken, en met mij haar zuchten naar roem.
Niets, geen woord. Ik weet het,
Misschien moet ik mij eens (om)draaien, van richting
Veranderen, of uit mijn losse pols een ode schrijven
Aan het niets, dat niet komt en nooit zal zijn,
Dat er nooit is geweest, of toch?
Hier is het alle dagen congé!
En jij daar in Antwerpen, staat de koffie klaar?
|
|
|
|
 |
(Gedicht mei 2008)
Don Quichot aan zee
(Niet dat Don Quichot zelf ooit écht heeft
rondgedoold aan zee.)
Op zee hadden ze niks gevonden.
Ook langs de kust niet.
Ze keken uit over zee,
Maar begrepen de taal van de sterren,
Het metriek stelsel,
En de snee van de gulden sneden niet.
Men sleepte ijzer aan met vrachtwagens.
Bonden dit samen tot een constructie
Die liet hopen dat ze stand zou houden.
Na gemeten en gepeild te hebben,
Het schietlood nog in de hand,
Goot men, door zware vrachtwagens
aangebracht
En via een ingenieus systeem, alles vol
beton
Op zee hadden ze niks gevonden
Ook langs de kust niet.
De wind kwam van ergens,
Die zou verandering brengen.
Er zou verandering komen,
Maar hoe, wist men nog niet.
Maar het leek een goed plan.
|
|
|
|

|
2e Stadsgedicht:
Vrees om in een afgesloten ruimte te
vertoeven.
(nav: het overlijden van Hugo Claus)
Ik heb aan jou gedacht,
Ook aan de dood, aan de liefde,
En aan al het onontkoombare.
Dat het nog komen moet
En komen zal,
Ja, dat wat nog moet komen,
Het komt .
Ik zie je nog staan en dacht:
‘Om eenzaam te zijn moet men liefhebben,
Of denken aan de dood.’, maar zei:
‘Om eenzaam te zijn moet ik wennen
Aan de liefde en zoveel jij.’
Toen keek je me aan,
Legde mijn mond het zwijgen op
En zei:
‘Om eenzaam te zijn
Moet ik wennen aan de liefde,
Of denken aan de dood.’
‘Maar blijf toch maar,
Nu je er bent.’
|
|
|
|
 |
(Gedicht Maart 2008)
De mijter van de kardinaalvogel (voor
Gaston Eysselinck)
Des morgens zitten ze hun parabels te
lezen,
En in de bomen geeuwen stemmen zich wakker
Naar het lange wachten. En zie daar komt
aangewandeld
Het ochtendjournaal, als een vlug blad met
het laatste nieuws
Van gisteren in hoofdletters en vet
gedrukt.
Hé, mag ik eerst mijn verkeerde been uit
het bed rekken?
Traag mijn linkeroog in zijn oogkast rollen
en op de juiste plaats zetten? Ook mijn spaarzame woorden samenrapen en
mijn dromen ordenen, alvorens
Een spade te nemen om een diepe kuil te
graven naar de toekomst?
Ach, zegt de postbode tegen zijn gezegde,
Die heeft zich zijn lip verbrand aan taal
en spraak.
Ach mensen, geloof de veerman niet, zijn
schraalheid is puur verzinsel.
Wees niet bang als des morgens een reine
parabel je in de schoot valt
En in het geeuwen de bomen zich wakker
stemmen tegen het ochtendgloren.
Want onder een ranke boom slaapt de mijter
van de kardinaalvogel
De toekomst tegemoet en graaft zich in, in
de slaapkuil van mijn verleden.
Daar zoekend traag naar het droefste
woord dat hij vinden kan.
Een van zijn troon gevallen blauwe kever
van Jan Fabre.
|
|
|
|
%20van%20DSCF2054.JPG) |
Gedicht voorgelezen aan alle gasten:
(Gedicht
Februari 2008)
Hotel Du Parc
Je zet je daar, zegt niets, luistert, en
kijkt.
Men hoort er het ritselen der
beursberichten,
Men likt er aan geld al zwijgend.
Men spaart er zijn eenzaamheid, voor later.
Om uit te drukken dat van twee of meer
personen
Ieder op zijn manier de ander behandelt,
Staat men hier nooit op, maar gaat men
heen.
Men kan er, zonder dat iemand zich eraan
stoort, horen
Hoe de taal er een loopje neemt met de
wereld,
Zich ‘Habitueert’, door op de koffie te
slaan.
Om uit te drukken dat van twee of meer
personen
Ieder op zijn manier de ander behandelt,
Leest men hier de krant achterstevoren, en
zonder omkijken.
Hier geeuwt de tijd tegen de ramen.
‘Meeuwentemmer M/V
Gezocht’, staat er op de flank van een
tram. Bam!
Bang! Schrijvers kruipen in hun grote
woorden.
Om uit te drukken dat van twee of meer
personen
Ieder op zijn manier de ander behandelt,
Kijken mensen naar een plek op een
plek. 'DAAR!' wijzend.
Je staat op, je kijkt rond en zegt: ‘Bart
is niet vergeten!’
* De
Brasserie du Parc is omwille van zijn kunstzinnige uitstraling al decennia
lang de vaste stek van artiesten, intellectuelen en rasechte Oostendenaars.
http://www.hotelduparc.be/ostende/
- Bart Bonroy: in 2007 neergestoken op het Marie-José-plien te Oostende,
omdat hij weigerde een sigaret te geven.
|
|
|
|
 |
Gedicht voorgelezen aan
alle gasten:
02/02/2008
Chateau de Beauvoir
(Hocquincourt -France)
CAYEUX-SUR-MER*
Hier heeft de liefde geen enkele
betekenis, is alles zoals het is.
Hier legt de zee haar vorens in slib en algen, plooit duinen,
En reikt haar zachte hand aan witte meeuwen. Sainteté.
En Kleurt de lucht na een lang verhaal
haar mooiste wolken.
Bij avond wordt de zee hier zachter, in de ondergaande zon.
Hier is alles ver en heel dichtbij, in heden en verleden, ook ruwheid.
En ruist de nacht over het water. Hoor
het wenen
Van zeewezens wonend in de holle oksel van een warme schelp.
Hier is de schepping begonnen, daar waar de zee de hoedster is.
Hier raak ik de hemel aan en wijs naar jou, die ik liefheb.
*CAYEUX-SUR-MER
is een dorpje aan de baai van de Somme
|
|
|
|
 |
(Intentieverklaring als stadsdichter van Oostende 2008)
Wanneer ik ween als een wees.
Mijn welluidende bron staat altoos en
dagen droog
In langzaam en traag kijken. Het
Noorden bijster.
Beluisterend in de schaduw van de wind,
het lot
Van de mens, het achterlijk dier, en
bid.
Omhooggevallen in de taal,
vermenigvuldigend
De dagen. Zie, hoe ontelbaar en
kreunend langzaam,
De tijd zich te luisteren legt, mij
verliezend
In de én na de komma, het kleinst
hoorbare interval.
Want gehavend en bloedend zal ik mij
laven
Aan haar rijpste vruchten, als zij de
muze
Zich ontbloot in naaktheid, ik haar
nemen zal.
En wanneer uit de lenden mijn kleinste
dood wegebt,
Zal ik wenen, zoals wanneer ik ween als
een wees,
Diep in mijn donkerste bed.
|
|
|
|
 |
1e stadsgedicht:
Schuilen kan in stilte.
De zee streelt de wolken
Met haar golven
Na een lange dag van ademhalen.
Bijna is ze geruisloos
Als ze verzamelt haar schelpen
In eb en vloed.
En meet ze zich
Aan de schepen in de haven,
Daar wordt ze zacht als een moeder,
Wordt ze nacht.
De haven is een wees,
Nu éénarm in armenland
Zich te kreupelen leggend
Tegen stroming en getij
In een stil gebed.
Is het nu oost of west
Of ergens daar tussenin
Waar ik mijn baken leg
En toon de weg naar het hart,
Wijzend naar de stilte in mij.
|
|
|
contacts:
organisatie@stadsdichter.org
http://www.stadsdichter.org/ |